<img src="http://www.nrcboeken.nl/files/images/auteur/afbeelding1/pamukgepakt_40831.jpg" alt="pamukgepakt_40831.jpg" title="pamukgepakt_40831.jpg" width="435" height="600" class="imagefield imagefield-field_au_image_1" />

Pamuk, Orhan

Turks romanschrijver, (Istanbul 07-06-1952)

Orhan Pamuk, opgegroeid in een verwesterst gezin, begon zijn carrière met twee realistische familieromans: Meneer Cevdet en zonen (1982) en Het huis van de stilte (1983). Beide romans raken aan het thema dat hem in de rest van zijn werk zou bezighouden: de Turkse worsteling met een eigen identiteit op het breukvlak van Oost en West. Wel heel duidelijk komt die naar voren in Istanbul (2003) waarin hij schamper schrijft over westerlingen die het onderscheid tussen Ottomaans verleden en Turks heden graag aanzien voor een kloof tussen Oost en West. Met de allegorische roman De witte vesting (1985), over een 17de-eeuwse Venetiaanse slaaf en zijn Turkse meester die van identiteit verwisselen, ontpopte hij zich als een postmodern schrijver die op een aanstekelijke manier fictie en werkelijkheid door elkaar liet lopen. Het mooist deed hij dat in de filosofische roman Het zwarte boek (1990), waarin een advocaat door Istanbul zwerft op zoek naar zijn verdwenen vrouw en zijn oom (een columnist), om uiteindelijk de identiteit van die oom over te nemen. Maar ook het toegankelijkere Ik heet Karmozijn (1998), over een moord op een 10de eeuwse miniatuurschilder die zich verzet tegen westerse invloeden, zit vol postmoderne grapjes, waarvan de eigenaardige vertelsituatie (eenentwintig ikfiguren, waaronder een duivel en een muntstuk) er één is. ‘Ik stuur mijn figuren het doolhof van de wereld in,’ zei Pamuk naar aanleiding van Het nieuwe leven (1994, over een man die op zoek gaat naar de werkelijkheid achter een boek dat zijn leven verandert), ‘en laat ze er, hoop ik, als andere mensen weer uitkomen.’ Het strekt hem tot eer dat hij hetzelfde over zijn lezers kan zeggen. Veel stof deed zijn roman Sneeuw (2002) opwaaien. Hierin beschrijft hij hoe de dichter Ka, uit Duitse ballingschap naar Turkije terugkeert voor de begrafenis van zijn moeder. Hij reist door naar Oost-Turkije en bevindt zich dan algauw in het brandpunt van de strijd tussen seculiere nationalisten en religieuze revolutionairen. Vier jaar na verschijning van deze roman werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend.